Archief van een verdwenen monument

Het buitenverblijf van den heer Bunge in den Aerdenhout (Architectura, 1910)

Het buitenverblijf van den heer Bunge in den Aerdenhout (Architectura, 1910)

Onderstaand artikel schreef Theo Rueter in 1910 voor het tijdschrift Architectura. Het is terug te vinden in jaargang 1910 op pagina 76-78. Het artikel wordt gevolgd door een naschrift van de redacteur.

Visitekaartje van Theo Rueter, architect

Reeds een paar malen had ik bij geruchte vernomen dat er in den Aerdenhout voor den heer Bunge uit Amsterdam een vreemdsoortig huis in aanbouw was. De één zei: “‘t is ‘n mal ding, met een toren als ‘n fabrieksschoorsteen”; de ander zei: “‘t is een grijs gecementen blok met kleine raampjes, en hier en daar een enkele tegel, als versiering”.

 

 

 

Dit een en ander was niet in staat mijn belangstelling gaande te maken; en daar ik zelf in geen 3 à 4 jaar in den Aerdenhout geweest ben, kon ik er zelf dus niet over oordeelen.

Doch dezer dagen sprak ik er met een vriend over, die te Zürich op ‘n architectenbureau werkt, en die van Prof. Läuger eens wat gezien heeft dat zeer mijn vriend’s bewondering had gewekt. Hij wilde dus dit werk gaarne eens zien. Wij spraken af er samen heen te gaan, en het, zoo mogelijk, ook van binnen te bezien.

Zoo gingen we Zaterdag 22 Jan. op reis naar den Aerdenhout. ‘t Weer was zeer mooi; ‘t had des nachts voor ‘t eerst van deze winter gesneeuwd, de lucht was prachtig bewolkt, de temperatuur zeer zacht; alles beloofde ‘n mooien dag te worden.

Reeds bij het uitstappen uit de electrische tram zagen wij de slanke toren van het bewuste gebouw boven ‘t geboomte uitsteken. Die diende ons tot wegwijzer, en zoo kwamen wij spoedig aan de plaats onzer bestemming. Loopende langs alle min of meer “gewone” villa’s,  stonden wij plotseling voor het nieuwe gebouw, en waren wij beiden geheel verrukt over het schoone geheel. De aanblik was indrukwekkend, overmeesterend, bracht ons in extase, werkte als een openbaring.

Het geheel grootsch van opvatting; met fijn gevoel. Groote eenvoud en fiere moed uitgedacht en verwerkelijkt. Geen zoeken naar kleine effecten, schilderachtigheden, en met dies zij; geen navolging van een of andere stijl, uit conventie, uit traditie, of op bevel van den bouwheer; geen geïnspireerd zijn door werk onzer voorgangers en dit trachten te verbeteren; ook was het geen werk tengevolge van getrouw zijn aan een “principe”, doch het werk van een vrij mensch, die zulke materialen, kleuren en vormen uitkoos als hem goeddacht; een gansch losch zijn van alle, tot heden toegepaste bouwvormen, zuiver oorspronkelijk, en… in hooge mate beschaafd, edel van lijnen, rein van kleur, en rijk door sobere toepassing van tegelversieringen in tegenstelling met de groote vlakke muren, die alleen bekoren door schoone verhoudingen.

Het geheel stond daar als een machtige, kloeke massa, strak afstekend tegen de lucht, zuiver van compositie, gansch volmaakt, en goddelijk rein!

Stel U voor het hoofdgebouw, regelmatig van indeeling, forsch, massief tot u sprekend, vierkant in planvorm; met aan alle zijden een stijl dakschuinte, met dofzwarte leien gedekt een aan alle gevels een hoogere middenpartij, met een fijne schuinte, als van een fronton, gedekt. Rechts van het gebouw een lage, ver zich uitstrekkende galerij, geheel met glas voorzien, denkelijk voor oranjerie bestemd. Links van het hoofdgebouw op eenige afstand een kleiner gebouw (waarschijnlijk een zaal voor muziekuitvoeringen) met een bijzonder mooi, stijl dak bekroond, en van een fijn, rank, zeer hoog oploopend venster voorzien, tot boven de dakgoot opschietend en in een topgevel eindigend. Deze muziekzaal verbonden door een overdekte gang met het hoofdgebouw. Beneden in de gang een poortvormige doorgang, voor doorrit naar deze tuin en als entrée naar de zaal.

En op de plaats waar deze gang verbonden is met de muziekzaal, steekt de zeer mooie, slanke, fijne toren met prachtig koepeltje bekroond, een 30 à 35 meter hoog de lucht in.

Deze toren lijkt mij het mooiste van het geheel toe. Hij is vierkant, loopt heel weinig spits toe, heeft even boven de halve hoogte aan alle zijden een balcon voor uitzicht over het landschap, en wordt, zooals reeds gezegd is, bekroond door ‘n zeer gelukkig gevonden koepel, rustend op zuiltjes en van balustrade voorzien.

Dit torentje is zoo uiterst fijn en slank, van zoo’n prachtig silhouët en wordt op zulk ‘n edele wijze versierd door de balcons, klok, tegelversiering als balustrade en de mooie afdekking, dat dit mij daarom het mooiste van den geheelen bouw toeschijnt.

De plaatsing van den toren is ook zeer gelukkig; een eind ver van het hoofdgebouw, waardoor dit door zijn forsche, compleete gedaante, ongestoord tot u spreekt.

Aan alle zijden rondloopend (het was ons helaas! niet vergund het inwendige te zien) trof ons de mooie groepeering, raak neergezet, zonder aarzeling, een bijzonder mooi complex, van voorname, rustige indrukwekkendheid.

De twee pijlers waarop het balcon rust boven de hoofdingang; het groote, slanke venster met topgevelbekroning in de muziekzaal; een zeer mooi, fijn rond erkertje op den hoek van muziekzaal en gang; de groote forsche middenpartijen in het hoofdgebouw; het kloeke, strakke dak; de eenvoudig gevormde ramen met kleine ruiten, als ‘t ware een fijn netwerk leggende over de raamopeningen, en deze verband gevend daardoor met de muurvlakken. Dit alles en nog meer, wat ik na één beschouwing niet onthouden kon, vormt zoo’n statig, rijk geheel, dat het oordeel van een aandachtig beschouwer moet zijn ten gunste van dit schoone monument.

De muren zijn van baksteen, alle gepleisterd met groffe portland specie, welke in sommige vakken glad geschuurd is, en overal in een fijne geelgrijze tint gesausd, met als basement gelijkkleurige natuursteen.

Dit gebouw had, dunkt mij, van gewapend beton gemaakt kunnen zijn; zoo’n indruk maakt het, omdat alle baksteen zorgvuldig is verborgen onder de cementlaag. Alleen enkele boogvormige openingen en de zeer dikken tuinmuren verraden, dat onder de bepleistering baksteenconstructies verborgen zijn.

Alle houtwerk is zeer weinig geprofileerd, bijzonder vlak en alles wit geschilderd. En als eenige versiering hier en daar om ramen en op groote muurvlakken (alle lichtopeningen zijn bijzonder klein in het groote geheel, waardoor het grootsche effect van de vele vlakke muren zeer gelukkig tot u spreekt) en ook in de geveleinden, onder de frontonschuinte, enkele of meerdere tot ‘n tableau saamgevoegd, en ook als randen, horizontaal of vertikaal, van verglaasde relieftegels in zeer mooie kleuren aangebracht. Deze tegels zijn ter juiste plekke ingemetseld en doen zeer goed in de groote, vlakke muren, zij lijken als mozaïk; in de toren schitterden zij als goud, toen de middagzon er even langs streek. Dit alles is zeer oorspronkelijk.

De geheele compacte massa overweldigt u door zijn groote lijnen, schoone proporties, mooi silhouet; door de groote, strakke eenvoud en weinige details pakt het geheel u terstond. Het doet denken aan een oostersch paleis. Alles zeer vlak en eenvoudig, doch raak; het werk van een groote geest en bovenal van een fijn gemoed.

Het deed mij denken aan het bekende ontwerp voor ‘n Volksgebouw van Willem Bauer; ik stel mij voor hoe hij hiervan genoten zou hebben!

Ook gelijkt het op het ontwerp-Vredespaleis van Saarinen.

Waarlijk, dit werk is modern, is rijk door zijn schoone eenvoud – wat men niet van alle modern werk kan getuigen – het is ‘n compositie, van een volmaaktheid, die het klassieke nabij komt.

Toen wij het paleis van den heer Bunge verlieten en rondliepen in den Aerdenhout, trof het ons hoe bijzonder grof, boersch en ongevoelig alle overige huizen en villa’s ons aandeden; het was alsof men na muziek van Beethoven, draaiorgelgeluid te hooren krijgt!

Bij ons verzoek om het inwendige te mogen zien, kregen wij ten antwoord, dat dit eerst zou worden toegestaan over een paar maanden, als het gebouw voltooid is.

Zou het bestuur van Architectura niet het initiatief willen nemen om er dezen zomer een excursie heen te maken?

Tot slot eenige woorden van waardering aan den heer Bunge, die den stichter van zijn paleis in gelegenheid stelde op zoo’n onbekrompen wijze zijn idealen te kunnen verwezenlijken. Waarlijk, zulke gelegenheden zijn zeldzaam in ons landje, toch waarlijk niet misdeeld met kapitaal!

Ook moet ik mijne verbazing uitspreken dat niemand vóór mij op dit schoone monument de aandacht vestigde!

Is het nog zóó weinig bekend?

THEO RUETER, Blaricum

Naschrift redactie Architectura:

Hoewel op vele punten meegaande met het bovenstaande, deelen wij niet schrijver’s bewondering voor dit bouwwerk, waar hij bijv. o.a. schrijft:

“Het geheel is zuiver van compositie, gansch volmaakt en goddelijk rein”.

Wij voor ons meenen, dat we hier te doen hebben met een loot van moderne Zuid-Duitsche architectuur. Ongetwijfeld wordt door vele Duitsche architecten ernstig gewerkt en vraagt dat werk onze aandacht, al was het alleen om daardoor het streven te bewonderen, dat bij die bouwkunstbeoefenaars voorzit om architectuur te geven, passend aan onzen tijdgeest.

Eéne opmerking veroorloven wij ons, en wel, dat veelal bij deze architecten sterk naar voren komt de neiging om de vormen te bepalen, van schildersstandpunt bezien. We wenschen dan ook niet, dat de moderne Hollandsche architecten hunne Renaissance-uitingen zullen deelachtig worden, al wordt er dikwijls veel interessants gemaakt.

Toch zijn ook wij verheugd, om vele redenen, een specimen van dergelijke architectuur op onzen Hollandschen bodem te hebben. In ieder geval spreekt uit dit werk durf en kracht.

Nog dienen we te vermelden, dat aan dit bouwwerk meerdere architecten hunne krachten hebben beproefd, o.a. eerst Sven Silow, later A. Lundberg in vereeniging met eerstgenoemde.

Toen het gebouw reeds gedeeltelijk stond, is het verder afgemaakt door Prof. Max Läuger, die vele veranderingen aangebracht heeft en van wien in hoofdzaak ook de gevels zijn.

Voor de praktische leiding is den hulp ingeroepen van Foeke Kuipers G.F.L.

Geplaatst door Roel van Rongen op 04-11-2012 11:55
Laatste wijziging was op: 15-12-2012 14:44